De 5 frustraties van teamwork

Boek

De 5 frustraties van teamwork van Patrick Lencioni is vermoedelijk iets waar je al van gehoord hebt in één of andere opleiding die je gevolgd hebt in het kader van teamwerking. Dit is hopelijk blijven hangen, omdat het op een bijzonder eenvoudige manier blootlegt waarom samenwerken in de praktijk zo vaak moeilijker is – en blijft – dan we graag toegeven.

We zeggen snel dat teamwork belangrijk is. We organiseren vergaderingen, verdelen verantwoordelijkheden, maken plannen en spreken doelstellingen af. Maar ergens onderweg ontstaat er vaak iets vreemds:

  • mensen houden zich in;
  • vergaderingen worden beleefd, maar niet echt eerlijk;
  • beslissingen lijken genomen, maar worden achteraf toch anders geïnterpreteerd;
  • collega’s ergeren zich aan elkaar, maar zeggen het niet rechtstreeks.

En voor je het goed en wel beseft, is een team geen team meer, maar een verzameling goedbedoelende individuen die elk hun eigen stukje proberen te beschermen.

Dat is precies de kracht van Lencioni’s verhaal. Hij maakt duidelijk dat slecht teamwork zelden begint bij een gebrek aan talent, middelen of intelligentie. Vaak begint het veel fundamenteler: bij de afwezigheid van vertrouwen. Niet het oppervlakkige vertrouwen van “ik geloof wel dat jij je werk doet”, maar het diepere vertrouwen dat toelaat om kwetsbaar te zijn.

Kunnen we binnen een team toegeven dat we iets niet weten? Durven we zeggen dat we hulp nodig hebben? Mogen fouten benoemd worden zonder dat iemand meteen in de verdediging schiet of ‘veroordeeld’ wordt?

Zolang dat niet kan, blijft iedereen vooral bezig met zichzelf te beschermen. En als dat vertrouwen ontbreekt, ontstaat bijna vanzelf de tweede frustratie: de angst voor conflicten. Dat klinkt misschien positief — wie wil er nu ruzie? — maar Lencioni maakt een belangrijk onderscheid. Het gaat niet over persoonlijke aanvallen of destructieve discussies; het gaat over het durven botsen op ideeën. Over de bereidheid om hardop van mening te verschillen, omdat je weet dat het uiteindelijk niet om winnen gaat, maar om de beste oplossing. In veel teams wordt harmonie verward met gezondheid. Er wordt vriendelijk geknikt, terwijl de echte discussie zich nadien in de wandelgangen afspeelt. Dat is geen harmonie, dat is uitgestelde schade.

Daarna wordt ook betrokkenheid moeilijk. Want hoe kan je je echt achter een beslissing scharen als je je mening nooit hebt uitgesproken, of als je het gevoel hebt dat er niet naar geluisterd werd? Betrokkenheid vraagt niet dat iedereen zijn zin krijgt. Het vraagt wel duidelijkheid en het gevoel dat de verschillende standpunten op tafel zijn gekomen. Een team hoeft niet altijd tot volledig akkoord te komen, maar liefst wel tot een consensus. Het moet kunnen zeggen: we hebben dit besproken, iedereen is gehoord, alle ideeën en meningen werden in de beslissing gewogen, we begrijpen de keuze en we engageren ons om ze uit te voeren.

Maar ook daar stopt het niet. Want zodra afspraken duidelijk zijn, komt misschien wel het moeilijkste stuk: verantwoordelijkheid opnemen in het elkaar aanspreken. Niet alleen als leidinggevende tegenover medewerker, maar als collega tegenover collega. Dat voelt ongemakkelijk. We willen relaties niet belasten. We willen niet betuttelend overkomen. We willen vermijden dat iemand zich aangevallen voelt. En toch is net dat aanspreken een vorm van respect. Als we elkaar niet meer durven zeggen dat iets beter kan, leggen we de lat niet alleen lager voor de ander, maar ook voor het team.

De vijfde frustratie is uiteindelijk het gevolg van al het voorgaande: te weinig aandacht voor collectieve resultaten. Dan worden persoonlijke doelstellingen, afdelingsbelangen, erkenning of status belangrijker dan wat het team samen moet bereiken. Dat gebeurt meestal niet op een spectaculaire manier. Het sluipt erin. Iedereen doet zijn best, maar vooral binnen zijn eigen perimeter. Iedereen levert, maar niet noodzakelijk aan hetzelfde geheel. En dan ontstaat de pijnlijke paradox: veel activiteit, weinig echte vooruitgang.

Wat vooral opvalt, is hoe herkenbaar het allemaal is. Lencioni schrijft over een fictief managementteam, maar de situaties voelen allesbehalve fictief aan. De stille spanningen tijdens vergaderingen. De neiging om moeilijke onderwerpen te vermijden. De voorzichtigheid waarmee mensen hun woorden wegen. De frustratie wanneer beslissingen telkens opnieuw opduiken omdat ze nooit echt gedragen werden. Het zijn geen uitzonderlijke problemen. Het zijn menselijke problemen. En net daarom vraagt goed teamwork niet alleen structuur, maar vooral discipline en moed.

De eenvoud van het model mag ons niet misleiden. Vertrouwen, conflict, betrokkenheid, verantwoordelijkheid en resultaten klinken logisch, bijna vanzelfsprekend zelfs. Maar de praktijk is hardnekkig. We moeten de reflex overwinnen om ons sterker voor te doen dan we zijn. We moeten leren dat een stevige discussie niet hetzelfde is als een slechte relatie. We moeten beslissingen durven nemen zonder absolute zekerheid. We moeten elkaar aanspreken zonder elkaar te beschadigen. En we moeten telkens opnieuw kiezen voor het teambelang boven het eigen comfort.

De belangrijkste gedachte uit het boek: teamwork is geen eenmalige oefening. Het is geen workshop, geen mooie poster aan de muur. Het is dagelijks onderhoud. Het vraagt leiders die zelf het voorbeeld geven door kwetsbaar te durven zijn, conflicten niet te snel glad te strijken, duidelijkheid te brengen en resultaten centraal te zetten. Maar het vraagt evenzeer teamleden die bereid zijn om mee verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van de samenwerking.

Misschien is dat meteen ook de vraag die dit boek ons stelt: zijn we echt bereid om een team te zijn?

  • Niet alleen wanneer het gemakkelijk loopt, maar vooral wanneer het schuurt.
  • Niet alleen wanneer we het eens zijn, maar ook wanneer het nodig is om elkaar tegen te spreken.
  • Niet alleen wanneer successen gevierd worden, maar ook wanneer iemand moet zeggen: hier houden we ons niet aan wat we hebben afgesproken.

De 5 frustraties van teamwork is daarom geen boek dat alleen interessant is voor managers. Het is relevant voor iedereen die samen met anderen iets wil bereiken. Want waar mensen samenwerken, ontstaat vanzelf spanning tussen individuele belangen en collectieve doelen. De vraag is niet of die spanning er zal zijn. De vraag is of we ze onder tafel duwen, of gebruiken om beter te worden.

Een goed team is dan ook geen groep mensen die nooit botst. Het is een groep mensen die voldoende onderling vertrouwen heeft om eerlijk te botsen, voldoende duidelijkheid heeft om samen te kiezen, voldoende discipline heeft om elkaar scherp te houden en voldoende nederigheid heeft om de gezamenlijke resultaten boven het eigen gelijk te plaatsen. Dat klinkt eenvoudig. Maar precies daarin ligt de uitdaging.